| Mycoplasma (MYC) kan de uier besmetten via de bloedbaan en vanuit de omgeving. Koegebonden kiem vaak in meerdere kwartieren aanwezig die mogelijk ook gewrichtsproblemen veroorzaakt en longaandoeningen bij jongvee |
| Pseudomonas aeruginosa (PSA) Deze omgevingskiem houdt van vocht en overleeft gemakkelijk in onhygiënische situaties. Kan een zeer heftige, dodelijke mastitis geven, die niet reageert op behandeling met antibiotica. |
| Nocardia (NOC) Omgevingsbacterie die vooral in de grond voorkomt. Kan ook overleven in sommige antibioticapreparaten. Daardoor kan Nocardia voorkomen na onhygiënisch gebruik van uierinjectoren. |
| Klebsiella (KLB / KOX) Een bodembacterie en veroorzaakt een acute, ernstige mastitis. Kan ook subklinisch voorkomen en een verhoogd celgetal veroorzaken. Vochtig met boomschors verontreinigd zaagsel is vaak de boosdoener.
|
| Coagulase Negatieve Staphylococcen (CNS) Een brede groep van bacteriën, met sterk verschillende kenmerken. Deze groep kan zowel melkoverdraagbaar zijn, als voorkomen in de omgeving van de koe. Komt vaak voor bij vaarzen in het begin van de lactatie.
|
| Escherichia coli (ECO) Leeft in de omgeving van de koe (mest, boxen, bodem). Veroorzaakt meestal klinische mastitis.
|
| Streptococcus uberis (SUB) Leeft in de omgeving van de koe (stro, boxen, mest), maar heeft ook mogelijkheden via de tepelvoeringen te worden overgedragen. Veroorzaakt zowel klinische als subklinische mastitis.
|
| Streptococcus dysgalactiae (SDY) Meestal subklinische mastitis met zeer hoog celgetal. Vaak infectie van beschadigde spenen (betrappingen, kloven, wondjes, kapotte speenpunten).
|
| Staphylococcus aureus (SAU) Besmettelijke bacterie, die op de uierhuid en in de melk zit. Veroorzaakt klinische en subklinische mastitis.
|
| Streptococcus agalactiae (SAG) Deze overleeft alleen in de melk en wordt dus van koe naar koe overgebracht. |